
In een tijd waarin de kloof tussen boer en burger groeit en het debat over landbouw steeds harder wordt, zijn mensen nodig die die kloof overbruggen vanuit eigen ervaring en overtuiging. We spraken met Jan van den Broek van bioboerderij ’t Schop in Hilvarenbeek over vier generaties boeren, de kracht van de bodem en wat duurzame landbouw werkelijk vraagt. “Zaadjes planten, en soms ontkiemen ze.”
Jan van den Broek
Jan van den Broek boert op grond die zijn opa in 1923 bebouwde. Vier generaties, één erf. Maar wat er tussen die generaties veranderde, is niet minder dan een complete omwenteling in de verhouding tussen mens, dier en bodem. Jan is degene die die omwenteling tot stand bracht.
Hij is oprichter van de Vereniging Natuur en Milieu Hilvarenbeek, voorzitter van Netwerk Goed Boeren, bestuurslid van 013Food, medeinitiatiefnemer van het Erloom-concept en al meer dan veertig jaar het gezicht van bioboerderij ’t Schop. Wie met hem spreekt, hoort iemand die niet alleen biologisch boert, maar kritisch nadenkt hoe landbouw en natuur in harmonie samen kunnen gaan.
In mijn eigen woorden
Mijn opa had een gemengd bedrijf. Een paar koeien, wat varkens, akkerbouw, kippen die los liepen. Alles met de riek, met paard en wagen. Hij was zuinig op zijn mest, hij móest wel. Kunstmest bestond nog niet. En die zuinigheid was eigenlijk wijsheid: hij wist dat de bodem het fundament was. Mijn vader nam het bedrijf over in de jaren vijftig. De Tweede Wereldoorlog was net achter de rug, Europa stelde zich één doel: nooit meer honger. De Europese Unie richtte landbouwsubsidies in, Mansholt leidde die beweging, en de mechanisatie zette door. De gemengde bedrijfjes, zoals dat van mijn opa, gingen zich specialiseren. Één tak behouden, de rest weg. Mijn vader hield koeien. Ik zeg altijd: toen is het fout gegaan.
Want met die specialisatie werd de veehouderij losgekoppeld van de grond. Dieren hoefden niet meer gebonden te zijn aan het land dat je had. In Denemarken lukte het nog enigszins om die koppeling te bewaren, maar in Nederland niet. De lobby was te groot, de wetgeving te zwak. En zo begon een beweging die niet meer is gestopt.
Van boerenjongen naar Milieukunde
Ik kon goed leren op de basisschool. Dat betekende in die tijd dat je naar de HBS mocht, in mijn geval naar Odulphus in Tilburg. Met een handjevol jongens uit het dorp. ‘Als je kon leren, werd je toch zeker geen boer’. Dat was de toon toen. Maar ik bleef in de bandbreedte. Een beroepskeuzetest wees op iets technisch én iets met landbouw. De decaan gaf me een folder over de studie Levensmiddelentechnologie aan de Hogere Agrarische School. Twee vinkjes, klaar. Ik ging op kamers in Den Bosch, want ik had het gevoel: ik moet weg uit de beperkte dorpse wereld van mijn ouders. Bij verjaardagen gingen alle gesprekken over landbouw, dus ik vond het tijd om mijn vleugels te spreiden.
Ik heb stage gelopen bij Campina, Heineken en Jonker Fris. Ik concludeerde snel: dit heeft niets met landbouw te maken. Dit is gewoon industrie. Een tankwagen rijdt aan, grondstoffen worden gekeurd op normen, het antibioticaniveau in de melk moet kloppen. Dat was het. Of de koeien buiten liepen? Of de groenten bespoten waren? Niet interessant. Ik besloot dat ik mijn leven niet ging wijden aan het inblikken van erwtjes. Toen ik zag dat ik een specialisatie milieukunde kon doen, was het meteen raak. De milieuorganisaties kwamen in opkomst, zoals Milieudefensie, de Kleine Aarde en ik abonneerde me op hun blad. Later haalde ik nog een onderwijsbevoegdheid. Puur uit interesse: sociologie, psychologie, pedagogiek. De menselijke richting. Tijdens een stage op een landbouwschool in Schijndel besefte ik hoe leuk dat was.
Drie dagen lesgeven, de rest op de boerderij
Ik begon in 1984 met drie dingen tegelijk: lesgeven aan de landbouwschool, de boerderijwinkel opstarten en de overgang naar biologisch boeren. Drie dagen voor de klas, de rest op het erf. Cecile, mijn vrouw komt uit Tilburg, uit een groot gezin. Wij slachtten toen altijd in het najaar een koe voor de diepvries. In eerste instantie voor gebruik in kleine kring. Boerderijwinkels waren er toen nog nauwelijks. We zijn naar Zuid-Holland gereden om te kijken hoe het daar ging. Tegeltjes tegen de muur in het Schop , een vitrine erin, kijken of het werkte. Dat was het begin.
Biologisch boeren was voor ons geen ideologische keuze die wij op een dag namen. Het was eerder een logisch gevolg van alles wat ik had geleerd en gezien. Toen is de boerderijwinkel ook meteen biologisch gestart. We dachten: dan weet iedereen wat het is. Dan is het helder en geborgd. Wij willen dat het klopt, dus laten we ons proces ook certificeren. Van drie dagen lesgeven werd het twee, en daarna één. Hoewel hij het lesgeven niet los kon laten, won de boerderij. Het boerenbestaan én de verbinding met mensen buiten de sector, dat voelde voor mij als een perfecte combinatie.
De bodem als batterij
Wij zitten hier op zandgrond. Organische stof, de humus, is op zandgrond van levensbelang. Die houdt mineralen vast, houdt water vast, geeft leven aan alles wat er onder de grond beweegt. Toen wij in de jaren tachtig begonnen, hadden we een organisch stofgehalte van 2,1 procent. Nu zitten we boven de zeven. Dat is het resultaat van veertig jaar werken met uitsluitend organische mest uit de eigen stal. Onze grond werkt als een batterij, die koolstof en stikstof opslaat. Kunstmest maakt het bodemleven kapot. En bodemleven bestaat voor meer dan vijftig procent uit schimmels. Op aardappelvelden worden bijvoorbeeld elke veertien dagen gespoten met fungicide, dat doodt alles wat schimmelachtig is. Dat klinkt effectief, maar je gaat je eigen fundament te lijf.
Wij zeggen: biologische landbouw is geen systeem van verboden. Geen kunstmest, geen bestrijdingsmiddelen, dat zijn de regels, maar daar gaat het niet wezenlijk om. Het gaat om de integrale, holistische gedachte. Wij zijn een onderdeel van een groot ecosysteem. Als je iets wilt oplossen, kijk dan hoe de natuur dat doet. Klaver bindt stikstof, net als kunstmest dat doet, maar klaver laat het bodemleven intact. Kruidenrijk grasland laat de koeien grazen op een diversiteit die hun gezondheid ten goede komt. Kalfjes bij de koe. Dieren die buiten lopen en hun eigen sociale leven hebben. Dierenwelzijn is niet: een comfortabele ligplaats. Dierenwelzijn is: wat wil het dier zelf?
Extensief, en trots
Onze koeien grazen op twaalf hectare eigen grond en op zo’n tachtig hectare pachtgrond van natuurbeheerders: Brabants Landschap, Staatsbosbeheer, provincie. Dat vraagt intensief overleg: wanneer mag je maaien, hoeveel dieren kunnen er per terrein, welke plantensoorten herstellen zich. Mijn zoon Bart heeft een opleiding natuurondernemer gevolgd op de HAS. Want je kunt niet op natuurterreinen boeren zonder dat te begrijpen. We zitten op 0,75 koe per hectare. Dat is heel extensief. De meeste boeren zitten op twee, drie, soms vier. Maar voor ons is het precies zoals het hoort: natuur en boerenbedrijf als partners, niet als tegenpolen.
Met Erloom laten we zien hoe je culinaire beleving op hoog niveau kunt realiseren op basis van wat het land te bieden heeft. Ieder weekend in de zomermaanden nodigen we een andere chef uit om hun stijl en expertise te tonen. Zij maken daarbij voor 80% gebruik van lokale biologische producten. Deelnemers krijgen zo een beeld van waar we voor staan en steunen de lokale leveranciers.
Het netwerk: bruggenbouwer tussen boer en samenleving
Ik richtte de Vereniging Natuur en Milieu Hilvarenbeek op in een tijd dat die spanning tussen boeren en milieubeweging nog niet extreem was. Dat was in de jaren tachtig. Nu zie je meer polarisatie en dan is een succesvolle bioboerderij een dankbaar doelwit. Via Netwerk Goed Boeren, opgericht door de Brabantse Milieufederatie, zitten we regelmatig aan tafel met de provincie, met gedeputeerden en het ministerie. Wij pleiten voor een eerlijke vergoeding voor wat biologische landbouw al decennia doet: minder stikstof uitstoten, minder grondwaterbelasting, meer bodemleven. Biologische landbouw is 75% minder stikstofuitstoot, de kunstmestfabriek in Terneuzen, die de derde grootste gasverbruiker van Nederland is, nog niet eens meegeteld. Waarom krijgt een intensieve melkveehouder subsidie voor het vergisten van mest, wat overigens alleen werkt als koeien 24 uur per dag op stal staan, terwijl de biologische sector al veertig jaar doet wat nu van anderen met subsidie gevraagd wordt? Dat is de remmende voorsprong. Koplopers die het vuile werk deden, dreigen er nu voor gestraft te worden.
Lokaal is niet hetzelfde als biologisch
Dit is iets wat ik graag hardop zeg, ook als het ongemakkelijk is. Er zijn heel mooie lokale producenten. Er zijn boeren die hun best doen zonder het biologische keurmerk. Die zijn er echt. Maar er zijn ook boeren waarbij tienduizend varkens nooit buiten komen, die een winkeltje openen met een mooi verhaal en een nostalgisch etiket en dat dan ‘lokaal van de boer’ noemen. Dat zegt niets. Lokaal is de halve wereld.
De footprint van een product zit niet in het aantal gereden kilometers. Die zit in de kunstmest, in de CO₂ die vrijkomt bij intensieve veeteelt, in de bestrijdingsmiddelen die het bodemleven vernietigen. Een product dat dichtbij geproduceerd wordt met een hoge milieubelasting is niet per se beter dan iets dat verder weg op een duurzame manier gemaakt is. Ik zeg altijd tegen mensen die hier komen, zo’n 12.000 per jaar: koop bij de boer, liefst bij de biologische boer. En als die niet biologisch is, stel dan vragen. Lopen de koeien in de wei? Gebruik je kunstmest? Waar komt de compost vandaan? Hoe zit het met antibiotica? Niet om de boer aan te vallen, maar om hem te laten nadenken: er zijn mensen voor wie dit ertoe doet. Die vragen veranderen de verhouding.
013Food: een andere bubbel, dezelfde overtuiging
Ik ben bestuurslid geworden van 013Food omdat het een mooi burgerinitiatief is.
Bij 013Food kom ik in een andere wereld. Mensen die bewegen vanuit urgentie, niet vanuit bedrijfsbelang. Ik leer er enorm veel, hoe mensen denken over voedsel, wat hen beweegt, welke vragen ze stellen vanuit een stedelijke of burgerlijke blik. En ik hoop dat ik vanuit mijn achtergrond iets kan teruggeven: het verhaal van de bodem, van het ecosysteem, van wat duurzame voedselproductie werkelijk vraagt. Niet als prediker. Als iemand die weet wat het kost om veertig jaar anders te doen dan de stroom. Zaadjes planten, zeg maar. En soms ontkiemen ze.